E-tip

Updates

E-tip 2026-20: Advies Hoge Raad: geen teruggave box 3-heffing voor niet-bezwaarmakers

Niet-bezwaarmakers hebben geen recht op teruggave van box 3-heffing over de jaren 2017-2020, zo adviseert de advocaat-generaal aan de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelde eind 2021 dat de sinds 2017 gehanteerde forfaitaire heffing op vermogen in box 3 in strijd is met het recht op eigendom en het gelijkheidsbeginsel uit het Europese mensenrechtenverdrag EVRM. Met name de standaard vermogensmix (belastingbetalers worden altijd geacht een deel van hun vermogen te beleggen) kon niet door de beugel, zo was het oordeel in een zaak waarin box 3-spaarders geconfronteerd werden met een belastingheffing die hoger was dan het rendement.
 
Het arrest had tot gevolg dat belastingplichtigen die tijdig bezwaar hadden gemaakt tegen de IB-aanslagen voor de jaren 2017 tot en met 2020 aanspraak konden maken op vermindering van de aanslagen, mits de box 3-heffing in de aanslag was berekend over een forfaitair rendement dat hoger is dan het werkelijke rendement.
 

Ambtshalve vermindering ter discussie

Bij de Hoge Raad ligt nu de vraag voor hoe dat zit met belastingbetalers die niet tijdig bezwaar hebben gemaakt tegen de aanslagen. Die aanslagen staan daardoor onherroepelijk vast. Wel kan de fiscus zo’n aanslag alsnog ambtshalve verminderen. Dat kan als de aanslag te hoog is, maar niet als latere rechtspraak maakt dat de aanslag onjuist is. Tot slot kan de minister van Financiën nog ingrijpen.
 
Dat laatste is in het geval van de niet-bezwaarmakers niet gebeurd, zo overweegt de AG: “Het kabinet heeft namelijk in september 2022 besloten dat de niet-bezwaarmakers niet in aanmerking komen voor vermindering van hun aanslagen.”
 
Veel niet-bezwaarmakers hebben desondanks toch een verzoek gedaan om de aanslagen ambtshalve te verminderen, met een beroep op het Kerstarrest van de Hoge Raad. Die verzoeken worden behandeld in een ‘massaalbezwaarplusprocedure’, waarbij vier zaken zijn geselecteerd.
 

Nieuwe-jurisprudentie-uitzondering

De AG heeft nu in twee zaken conclusie genomen, zoals dat heet. Eerder oordeelde de Hoge Raad al dat ambtshalve vermindering in dit geval niet aan de orde is voor niet-bezwaarmakers. Toch hebben belangenorganisaties de zaken nog eens aangezwengeld met nieuwe argumenten; de rechtbank oordeelde daarover dat die niet tot een andere conclusie konden leiden.
 
Bij de Hoge Raad claimen de belastingbetalers dat de rechtbanken de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering (er is pas later nieuwe rechtspraak ontstaan) niet op de juiste wijze hebben uitgelegd en toegepast. Ze vinden ook dat die uitzondering in strijd is met hoger recht.
 

Niet onevenredig nadelig

De AG neemt onder de loep of de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering niet onevenredig nadelig is voor burgers. In de totstandkoming ervan zijn hun belangen niet expliciet meegewogen, maar desondanks is de conclusie dat met de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering budgettaire belangen, het belang van uitvoerbaarheid en het belang van rechtszekerheid worden nagestreefd. “Dat zijn legitieme doelen in het algemeen belang. Volgens de AG kan niet geoordeeld worden dat de nadelige gevolgen van de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering voor de belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot die doelen.”
 
Ook de concrete toepassing van de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering in de twee zaken is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. “De omstandigheid dat de box 3-heffing in strijd is met het EVRM, maakt dat volgens de AG niet anders, omdat die omstandigheid nog niet betekent dat een afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering onredelijk bezwarend is.” De AG vindt verder dat het onthouden van een ambtshalve vermindering op grond van de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering evenmin in strijd is met het EVRM.
 
De niet-bezwaarmakers lijken dus mis te grijpen; het wachten is nu op de uitspraak van de Hoge Raad.
 
Bron: Accountancy van morgen